Cichlasoma sajica

Artikel beschikbaar gesteld door :

Peter-Jan Taheij
Cichlasoma Sajica, in de volksmond vaak eenvoudig Sajica genoemd, is een prachtige cichlide uit Midden-Amerika, Costa Rica om precies te zijn. Hij komt daar voor in rustig stromende rivieren die nauwelijks begroeid zijn. De Sajica werd in 1979 voor het eerst in Europa ingevoerd. Er zijn van de soort twee kleurvariëteiten in omloop, een vrij zeldzame rode en een blauwe, wat algemenere variëteit.
De gegevens van dit artikel zijn gebaseerd op algemene literatuur en op ervaringen met de rode kleurvariant. Het geslachtsonderscheid is bij uitgegroeide exemplaren vrij eenvoudig. Het mannetje wordt n.l. een stuk groter dan het vrouwtje. Volgens de literatuur kunnen mannetjes tot 22 cm lang worden, terwijl de vrouwtjes toch 5 cm kleiner blijven. De vissen die door mij verzorgd werden bleven echter een heel stuk onder deze in de literatuur vermelde lengtes. Het mannetje werd ongeveer 15 cm, terwijl het vrouwtje het na 8 cm ook wel genoeg vond. De literatuur geeft aan dat de vinnen van de vrouwtjes niet verlengd zouden zijn, dit kan ik echter niet bevestigen. Tevens is in de broedtijd en bij het verzorgen van de jongen de iris van de man blauw gekleurd, terwijl die van het vrouwtje fel goudgeel van kleur wordt. Normaal zijn de vissen bruinachtig van kleur met donkere dwarsbanden. Als zij zich op hun gemak voelen wordt de kleur diep bruin met een rode zweem erover. In de paartijd en bij het verzorgen van de jongen worden de dieren geheel chocolade bruin, waardoor de felgekleurde iris fel afsteekt.
De soort vormt een territorium dat door één paartje bewoond wordt. De vissen zijn vrij rustig en buiten de paartijd zeker niet agressief tegenover medebewoners, mits de bak niet overbevolkt is. Een koppel kan al in een bak van 80 cm lengte gehouden worden, het verdient echter aanbeveling om de dieren in een grotere bak te houden, waardoor hun natuurlijk gedrag beter bestudeerd kan worden. De bak kan ingericht worden met heel fijn grind, bij voorkeur donker van kleur, en met grote stukken kienhout en stenen, waarmee holen en schuilplaatsen gemaakt kunnen worden. Ook de iets stevigere planten kunnen voor de inrichting van de bak gebruikt worden. De vis woelt niet in de bodem met uitzondering van de broedperiode. De man graaft dan een kuil in het hol dat voor de afzetting van de eieren is uitgekozen. Planten kunnen het best aan de rand van de bak geplaatst worden, zodat de vis in het open gedeelte goed bestudeerd kan worden.
Aan het water worden geen speciale eisen gesteld, middelhard water (DH = 15°) en een neutrale zuurgraad (PH = 7.0) voldoen. De temperatuur mag tussen de 23 en 27 graden Celsius liggen. De soort is goed met andere Cichlasoma-soorten samen te houden. Men moet de Sajica echter niet met de Zebracichlide, Cichlasoma nigrofasciatum, samenhouden omdat deze soorten onderling te kruisen zijn. De vissen planten zich bij 26° Celsius vaak al zonder kunstgrepen voort, omdat aan bovenstaande watereisen al vlug voldaan is. De vis heeft een voorkeur voor holen, maar bij gebrek hieraan kan hij zich ook als substraatbroeder openbaren. Een legsel bestaat uit ongeveer 300 eieren, die afhankelijk van de zuurgraad witachtig tot bruin doorzichtig zijn. Bij 26° Celsius komen de larven na drie dagen uit en na nog eens 5 tot 7 dagen zwemmen de jongen vrij. Het vrouwtje houdt zich bezig met de verzorging van de jongen, terwijl de man het territorium verdedigt. Soms worden de rollen omgedraaid. Vooral het vrouwtje is bij de verdediging van de jongen zeer fel.
De opfok van de jongen brengt echter wat problemen met zich mee. Bij een groot deel van de jongen, die als eerste voer meteen al artemia accepteren, stagneert de groei op een gegeven moment. Als u zelf voor ouder gaat spelen, zult u de jongen op grootte moeten selecteren en wordt er verstandig aan gedaan om zich te concentreren op de normaal opgroeiende jongen. Ongeveer vier weken na het vrijzwemmen zijn de jongen al ongeveer 1 cm groot, en met voldoende en afwisselend voer zijn ze dan wel tot wasdom te brengen. De soort is een uitgesproken alleseter die ook graag wat krachtiger voer, zoals gekookte mosselen, runderhart en kleine wormen op zijn menu ziet staan.

© Copy-right en voorwaarden voor gebruik